Henk Oonk

Onderzoek

Startdossier Internationaliseringsagenda voor het onderwijs 2015-2020

De Onderwijsraad heeft Dr. Henk Oonk in augustus 2015 verzocht een startdossier samen te stellen met betrekking tot het adviesonderwerp’ Internationaliseringsagenda voor het onderwijs 2015-2020. De Raad heeft behoefte aan een gedegen en actueel overzicht van de wetenschappelijke stand van zaken op dit gebied en van de vigerende onderwijspraktijk. Het dossier is eind november 2015 ingeleverd.

Het dossier biedt allereerst een overzicht van de onderwijspraktijk en het beleid en vervolgt dan met een reflectie op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar verschillende aspecten van internationalisering:

  •  vreemdetalenonderwijs met tweetalig onderwijs als exponent van de internationalisering

  •  Europese en internationale elementen van de leerinhouden en de leerervaringen

  •  Europese en internationale aspecten van burgerschap

Er zijn ook een drietal bijdragen uit Vlaanderen, Duitsland en Engeland. Op basis van dit startdossier en tal van andere bronnen heeft de Onderwijsraad eind mei het advies ‘ Internationaliseren met ambitie’ aangeboden aan de staatssecretaris van OCW.

Oonk G.H. (Henk). Startdossier Internationaliseringsagenda voor het onderwijs 2015-2020 (2015) In opdracht van de Onderwijsraad, ten behoeve van het Advies ‘Internationaliseren met ambitie’(2016). Startdossier en Advies zijn te downloaden van de website van de Onderwijsraad.


Young Europeans in an era of crises: citizenship education in a new perspective?

The current political, social and economic crises have serious consequences for the citizens in Europe and at the same time in some countries a massive loss of trust in the democratic institutions is experienced, as we read in the editorial. Since this is combined with an already existing decrease in political participation and the rise of populist movements in many European countries we are facing major challenges not only at the national level but also at the European level. The developments put to the test the very pursuit of European integration in the eyes of the citizens.

In part I the authors examine various aspects of the crisis in general and more specifically the consequences for the youth in some European countries. Jover, Belando and Guio are analyzing the effects of the crisis on Spanish youth. The Croation authors Mrnjaus, Vrcelj and Zlokovic presents the result of a qualitative study conducted on Croation students with the aim to unveil how young people in Croatia develop resilience in times of crisis; they conclude with remarks on citizenship education in Croatia. In the next two articles from Cyprus and Norway the authors discuss one of the most sensitive topics on our times: migration.

Vryonides exemplifies about the discourse concerning multiculturalism in Cyprus. Skeie exemplifies issues concerning European youth and adults who are coming to Norway, a country not affected by the crisis, but yet influenced by work immigration. In the final two articles of Part I the authors concentrate on groups who are rather optimistic about their future: Dekker, Amsing, Hahurij and Wichgers present research on recently graduated and unemployed Dutch academics and Aprea and Sappa present research on secondary school students in Germany.

In part II the authors analyze the consequences of the crisis on citizenship education. In the German contribution of Onken and Lange the impact of the financial and economic crisis in Europe on political attitudes, as one of the important aspects, has been considered. The conclusion indicates that a group-specific educational approach, taking into account the social background, is the most promising one for reaching the normative goal of civic education: that is politically self-determined citizens. Given the decline in the support for European integration among the public over the past years, the Dutch contribution of Oonk focuses on the improvement of the quality of citizenship education on European issues, the necessity to use a more critical approach and good instruction by the teacher in combination with an attractive teaching and learning approach. The central question in the paper of Print is: what are the elements in a school curriculum that can build resilience in times of crisis?

Papadiamantaki investigated students in a Greek university. The focus is their exposure to current problems and how this affected students’ behavior and their understanding of the concept of ‘active citizenship. In the final article of Part II, Merrigan discusses whether the ethical concept of individual responsibility as a complement to the legal human rights framework and a Kantian concept of moral ‘human rights’ duties in citizenship education can contribute to overcoming the crisis in Europe.

In Part III Bombardelli reports on a European project, the Comenius ECLIPSE (European Citizenship Learning in a Programme for Secondary Education) developed by six European partners with a view to develop, test and implement a Programme of European Citizenship of 8 th grade pupils. Bickes, Otten and Weymann report on the Greek financial crisis and the role of the media discourses of difference and solidarity during this crisis. Finally Fischer, Fischer, Kleinschmidt and Lange report on the ideas about globalization that 9 th grade students at grammar schools and secondary modern schools have.

Oonk, G.H (Henk)., Kontogiannopoulou, G., Lange, D & Y. Papadiamantaki (Eds.), 2014).

Young Europeans in an era of crises: citizenship education in a new perspective? Bielefeld, Germany: Journal of Social Science Education, 2014, no 3, sowi-online e.V. Contributions from the Universities of Madrid, Rijeka, Cyprus, Stavanger, Groningen, Lugano, Hannover, Sydney, Corinth, Leuven and Trento.


The European cooperation is facing new challenges- some impact on citizenship education in the Netherlands.

The crisis in Europe constitutes a major test for the very pursuit of European integration and for its legitimacy in the eyes of the citizens. In this paper a number of striking economic aspects of the crisis will be discussed next to political tensions concerning sensitive issues.

Given the decline in the support for the European integration among the public over the past years it is necessary to improve the quality of citizenship education on European issues and to use a more critical approach. Teaching and learning in a balanced manner is necessary about issues like migration, free movement, populist political parties, enlargement and other themes, besides other regular topics. In contrast to current opinions we argue that to reach not only the higher levels of secondary schools but also the lower levels a too strong social‐constructivist approach is not effective. Complicated European issues need a good instruction by the teacher in combination with an attractive didactical approach that builds on a common core European orientation curriculum improving students’ knowledge and skills and thus enhancing opinions and attitudes.

Oonk, G.H. (Henk) (2014). The European cooperation is facing new challenges- some impact on citizenship education in the Netherlands. In: Oonk, G.H., Kontogiannopoulou, G., Lange, D & Y. Papadiamantaki (Eds.), 2014). Young Europeans in an era of crises: citizenship education in a new perspective? ( pp. 73-82). Bielefeld, Germany: Journal of Social Science Education, 2014, no 3, sowi-online e.V


International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) in Nederland; 2012

De ‘ International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) is het grootste internationale onderzoek op dit terrein, ooit uitgevoerd. Er zijn data verzameld uit 38 landen gedurende 2008 en 2009, onder 140.000 tweede klas leerlingen, 62.000 leraren en 5300 schoolleiders.

De Europese Module die additioneel is uitgevoerd vond plaats in 24 Europese landen, onder 75.000 tweede klas leerlingen, meer dan 3000 scholen en 35.000 leraren.

Kennis over burgerschap

In vergelijking met de ons omringende landen hebben Nederlandse leerlingen een relatief geringe kennis over burgerschap. Van deze landen hebben Deense, Finse, Zweedse, Engelse en Vlaamse leerlingen beduidend meer kennis dan Nederlandse leerlingen. In Europa hebben alleen leerlingen in Griekenland, Luxemburg, Bulgarije en Cyprus een geringere kennis over burgerschap dan leerlingen in ons land.

Houdingen van leerlingen en maatschappelijke betrokkenheid

Jongeren in vrijwel alle landen hechten veel waarde aan vrijheid van meningsuiting. Nederlandse leerlingen staan in grotere mate afwijzend tegenover gelijke rechten voor immigranten dan leerlingen in andere landen. Hoewel Nederland samen met Vlaanderen en Engeland hierin internationaal gezien een extreme positie inneemt, geldt niettemin dat leerlingen van veel Europese landen terughoudender staan tegenover gelijke rechten voor immigranten dan leerlingen uit andere continenten.

Nederlandse leerlingen geven in meerderheid aan dat zij vertrouwen hebben in de regering en de landelijke overheid. Het vertrouwen in de overheid is daarmee gemiddeld groter dan in andere landen, inclusief andere Europese landen.

Europees burgerschap van leerlingen

De algehele kennis van leerlingen in ons land wijkt niet af van de kennis die leerlingen gemiddeld in andere landen over Europa hebben. De mate waarin Nederlandse jongeren voorstander zijn van Europese politieke integratie komt min of meer overeen met de mate waarin jongeren in andere landen hier gemiddeld voor open staan. Het draagvlak onder jongeren voor de Euro en nauwe economische samenwerking in Europees verband is groot.

Maslowski, R.,Werf van der, M.P.C., Oonk, G.H.( Henk)., Naayer,H.M., Isac, M.M ( 2012). Burgerschapscompetenties van leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Eindrapport van de International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) in Nederland Rapportage voor Nederland. Nederland: GION, RijksuniversiteitGroningen.


Onderzoek naar de betekenis en de resulaten van de internationalisering in het voortgezet onderwijs in Nederland; promotieonderzoek Oonk, 2004

In deze studie wordt de betekenis van de Europese samenwerking voor het voortgezet onderwijs in Nederland geanalyseerd en beoordeeld in het licht van onderwijsinnovaties. De Europese ontwikkelingen zijn de motor geweest van het Nederlandse internationaliseringsbeleid dat eind jaren tachtig in gang is gezet. Hebben de Europese Unie en Nederland dezelfde doelstellingen bij de realisering van de Europese dimensie in het onderwijs ? Vanuit verschillende theoretische invalshoeken wordt verklaard waarom enerijds tweetalig onderwijs in Nederland een groeimarkt is en anderzijds het realiseren van een Europese burgerschapsvorming een lastige opgave.

Het empirisch onderzoek verschaft inzicht in de kenmerken van scholen die internationaliseren, hun doelstellingen, de tijdsinvestering, de inbedding in het curriculum en de opvattingen van de docenten. Wat motiveert de leraren om aan deze nieuwe schoolactiviteiten zoveel eigen tijd te besteden ? In het leerlingendeel wordt ingegaan op de ervaringen  die de leerlingen hebben opgedaan tijdens uitwisselingen. Getoetst wordt of er progressie is vast te stellen ten aanzien van de kennis van het land van uitwisseling, de Europese Unie en de vaardigheid in de talen Duits, Engels en Frans.

Tenslotte wordt gereflecteerd over deze verrassende onderwijsinnovatie als gevolg van de Europese samenwerking in relatie tot het ontbreken van een helder onderwijstheoretisch concept bij de start van dit type schoolactiviteiten.

Oonk, G. H.( 2004). De Europese integratie als bron van onderwijsinnovatie- eenonderzoek naar de betekenis en de resultaten van de internationalisering in het voortgezet onderwijs in Nederland. Alkmaar, Nederland: Europees Platform voor het Nederlandse onderwijs.

Analyse van de implementatie en effecten van een Europese en Internationale Oriëntatie onder Elos Scholen; 2009.

Als vervolg op het onderzoek van Oonk zijn in de periode 2006-2012 door het onderwijsresearchinstituut GION van de Rijks Universiteit Groningen verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van deze internationaliserings activiteiten: we geven enkele uitkomsten.

In het algemeen zijn de leerlingen en leraren op de Elos scholen  enthousiast over de verschillende EIO-activiteiten (o.a. schoolpartnerschappen, uitwisselingen, studiebezoeken, tweetalig onderwijs, ict-projecten) waaraan ze deelnemen of hebben deelgenomen: het stimuleert ze en versterkt de motivatie.

Leerlingen in het vwo beantwoorden gemiddeld 70 % van de vragen in EIO-kennistoets juist in de onderbouw (leerjaar 2). In de bovenbouw (leerjaar 5) ligt dit met 80% gemiddeld beduidend hoger. Voor het vmbo en de havo kan niet goed worden beoordeeld wat de verschillen zijn tussen onder- en bovenbouw vanwege een te gering aantal vmbo- en havo-leerlingen in de steekproef. Het lijkt er niettemin op dat de kennis van vmbo-leerlingen duidelijk achterblijft bij die van havo- en vwo-leerlingen.

Leerlingen in de bovenbouw (van het vwo) nemen meer aan EIO-activiteiten deel dan leerlingen in de onderbouw; ze zijn ook vaardiger in het leggen van contacten met mensen in het buitenland en in het organiseren van uitwisselingsactiviteiten. Er is geen duidelijk verschil in de attitudes van de leerlingen in de onderbouw en bovenbouw. Bovenbouwleerlingen hebben niet meer aandacht voor culturele verschillen tussen Europese landen dan leerlingen in de onderbouw, en staan ook niet positiever (of negatiever) tegenover studeren en werken in een ander Europees land.

Leerlingen die betrokken zijn bij EIO-activiteiten doen daarbij nauwelijks meer kennis over Europa op. De activiteiten zijn daarmee relatief kennisarm.

Het implementatieproces op de Elosscholen heeft de aanzet geleverd tot vruchtbare discussies tussen de verschillende vakdocenten in de school met betrekking tot de inhoud en methode van de Europese en internationale oriëntatie, mede in relatie tot de vreemde talen als onderdeel van de Europa competentie.

Maslowski, R.,Naayer, H., Oonk, G.H. & van der Werf, M.P.C. m.m.v S. Berk & M.J. Wijnberg ( 2009). Effecten van internationalisering in het voortgezet onderwijs- eenanalyse van de implementatie en effecten van een Europese en internationale oriëntatie. Groningen, Nederland: GION, Rijksuniversiteit Groningen.

 

De Europese en internationale oriëntatie in het tweetalig voortgezet onderwijs; 2011


Kennis over EIO

Het onderzoek op de Tto-scholen laat de volgende uitkomsten zien. Kijken we naar de vwo-groep dan is in leerjaar 2 het gemiddelde percentage goede antwoorden 70% en in leerjaar 5,  80%; deze uitkomsten blijven ook bestaan na correctie voor achtergrondkenmerken van leerlingen. Wel bleek dat de volgende specifieke factoren invloed hebben op de EIO-kennis: leerlingen die verwachten een hogere opleiding af te ronden, hebben meer EIO-kennis; leerlingen van wie de vader hoger is opgeleid hebben meer kennis dan leerlingen van lager opgeleide vaders en leerlingen die vaker nar het journaal kijken, de krant lezen en discussiëren met ouder en medeleerlingen over Europese zaken hebben ook meer kennis over Europa.


EIO attitudes

Ten aanzien van de specifieke houdingen ten opzichte van “de idee van Europa”kan worden vastgesteld dat bovenbouwleerlingen zich niet meer identificeren met Europa dan onderbouwleerlingen. Hun houding is zelfs negatiever geworden dan in vwo-2. De extra jaren aandacht voor EIO in het onderwijs hebben dus niet tot gevolg dat leerlingen positiever over Europa denken, integendeel ze zijn zelfs kritischer geworden.

Het is opvallend dat er nauwelijks significante relaties worden gevonden tussen kennis over Europa en de attitudes. De meningsvorming ten aanzien van de Europese idee onder jongeren lijkt daarmee relatief weinig afhankelijk te zijn van de hoeveelheid kennis waarover jongeren beschikken ( en vice versa). Sterker nog: er is zelfs sprake van een zekere negatieve relatie tussen kennis over Europa en de Europese identiteit.


Vergelijkingen met ELOS leerlingen

Tto-leerlingen hebben iets meer kennis van EIO dan Elosleerlingen, ook na controle van voor achtergrond, thuisklimaat en overige competenties. Tto-leerlingen nemen gemiddeld vaker aan EIO-activiteiten deel dan Elosleerlingen. Tto-leerlingen lijken in mindere mate belang te hechten aan het leren van een moderne vreemde taal. Verwacht zou worden dat leerlingen bewust kiezen voor tweetalig onderwijs vanwege het belang dat zij aan het verwerven van vreemde talen toekennen, terwijl dit voor Elosleerlingen minder sterk zou gelden. Uit beide studies komt naar voren dat meisjes veel meer het belang inzien van het leren van moderne  vreemde talen dan jongens. Ook kinderen van ouders geboren buiten Europa ( voornamelijk Turken en Marokkanen) zijn relatief meer geïnteresseerd in het leren van talen.

Ten aanzien van de identificatie met Europa bestaan in de bovenbouw van beide type scholen nauwelijks verschillen. Zowel in ELOS scholen als in tto-scholen blijkt dat de identificatie met Europa afneemt naarmate de leerlingen ouder zijn. De houding van leerlingen tegenover de EU is het meest positief in de onderbouw.


Vergelijking met leerlingen uit ICCS

Er kon geen vergelijking worden gemaakt tussen de EIO-kennis competenties van Elos en Tto-leerlingen met ICCS-leerlingen. Wel is gekeken onder de tweede klas leerlingen naar de houding ten opzichte van de Europese samenwerking, de interesse voor het leren van vreemde alen en de Europese identiteit van leerlingen.

De resultaten laten zien dat er geen significante verschillen bestaan tussen tweede klas vwo-leerlingen op de verschillende scholen waar het gaat om de houding ten opzichte van Europese samenwerking en de interesse in het leren van moderne vreemde talen.

Tussen de leerlingen van de verschillende typen scholen doen zich daarentegen wel duidelijke verschillen voor ten aanzien van hun identificatie met Europa, waarbij leerlingen van tto-scholen zich relatief minder sterk met Europa identificeren als de (vwo) leerlingen uit de ICCS studie. Dit is opmerkelijk aangezien op veel ICCS scholen geen bijzondere ( extra) aandacht aan Europa wordt gegeven ( althans voor zover wij nu weten). De achterliggende  gedachte achter Elos en voor een deel het tweetalig onderwijs is dat jongeren zo meer te weten komen over andere ( Europese) landen en culturen en op basis hiervan zich meer met Europa verbonden voelen. In dat kader is ook het significante verschil in identificatie met Europa tussen tto en Elosleerlingen opvallend ( in het voordeel van tto), aangezien tto-scholen regelmatig een breder internationaal perspectief hanteren dan louter Europa.

Naayer, H., Maslowski, R.,  Oonk, G.H. & van der Werf, M.P.C. mmv.W. Bresser (2011). De Europese eninternationale oriëntatie in het tweetalig voortgezet onderwijs. Groningen, Nederland: GION, Rijksuniversiteit Groningen.

 

Internationalisation in Secondary Education in Europe; 2011

Internationalisation in Secondary Education in Europe is an integrated discussion of several aspects of the internationalization process in secondary education in Europe. The European and International Orientation (EIO) in education is dealt with from different national angles and theoretical visions, supported by recently conducted empirical studies in several countries. The book describes national policies concerning EIO, the way in which schools implement these policies and the success and difficulties of the activities that they undertake. A connection is made with ideas of citizenship in a European perspective and the question comes up for discussion if there can be spoken of common European values. Important issues are explore like the tension between national identity and European communality as well as the risk of EIO in increasing the gap between lower and higher educated students.

The mission of the book is provide not only background information to al who are interested in or involved in internationalization of education, social integration and European citizenship, but to provide recommendations for future practice as well. A central focus in these recommendations is the ‘ Common Framework for Europe Competence’ (CFEC), the first model that offers the possibility to structurally shape the knowledge and skills concerning the European and international developments in the school. Directions for future elaboration of this framework and its implementation in the teaching and learning process in schools are discussed.

Oonk, G.H, Werf van der, M.P.C & R. Maslowski( Eds.) ( 2011). Internationalisation ofsecondary education in Europe, a European and InternationalOrientation inschools;  policies, theories and research.Charlotte, NC, USA: Information Age Publishing Inc.